Toen Moe’aawiyah ibnoe Soefyaan Al-Kanaanie vroeg ‘Ali te beschrijven, zei hij het volgende:

“Hij had een afkeer van het leven van deze wereld en haar mooiheden. Hij vond zijn rust tijdens de nacht in het donker, en ik zweer bij Allaah dat ik hem tijdens deze nachten soms bezig gezien heb! Tijdens een nacht, waar de sterren aan de hemel stonden, dat hij zijn baard vastnam en huilde zoals een verdrietige, en het is net alsof ik zijn woorden nog hoor: “O onze Heer, o onze Heer!”

Vervolgens zei hij zich tot het leven van deze wereld richtende: “Jij hebt mij misleid, jij wil mij verleiden, o jij, o jij, probeer maar van mij te verleiden! Jouw leven is kort, en met jou zitten is een vernedering, jouw gedachten zijn gemakkelijk te overwinnen.”

Vervolgens zei hij verder: “Hoe is het toch met mij gesteld, zo weinig voorraad (goede daden) die ik heb voor zo’n lange reis (de reis naar het hiernamaals).” Vervolgens begon Moe’aawiyah te wenen totdat zijn baard nat werd, en hij deze afdroogde met zijn mouw, en de omringende begonnen allemaal te wenen, waarop Al-Kanaanie zei: “Inderdaad, zo was Aboel-Hasan (‘Ali)!”

[Al-Hoeliyah]