Abû Umama (ra) levert van 'Amr b. 'Absa As-Sulami (ra) de volgende woorden over:

"Ik heb de periode van de pre-Islamitische onwetendheid meegemaakt, maar ik wist dat de mensen in dwaling verkeerden en dat ze zich in hun aanbidding van afgoden op geen enkel geldig argument baseerden.

Ik hoorde toen praten over een man uit Mekka die een nieuwe boodschap verspreidde. Ik zadelde mijn rijdier om naar hem toe te gaan. Het bleek om de Boodschapper van Allaah, Mohammad Salla Allaahoe Alaihie Wa Sallam te gaan die in het geheim predikte... -totdat hij zei:- "Ik zei hem: "Profeet van Allaah, vertel mij over de rituele wassing."

Hij zei me:

"Voor elke man die, om zijn rituele wassing te verrichten, de kom met water dicht bij zich plaatst, vervolgens zijn mond spoelt, water opsnuift door zijn neusgaten en daarna weer uitsnuit, zullen de zonden die afkomstig waren van zijn gezicht, zijn mond, en zijn neusgaten, samen met de waterdruppels neervallen.

Als hij zijn gezicht wast zoals Allaah het hem heeft voorgeschreven, zullen alle zonden van zijn gezicht neervallen samen het water dat langs het uiteinde van zijn baard wegvloeit. Als hij zijn handen wast tot aan zijn ellebogen, zullen de zonden die verricht werden door zijn handen, neervallen samen met het water dat wegvloeit langs de toppen van zijn vingers. Als hij met zijn vochtige handpalmen over zijn hoofd wrijft, zullen de zonden die door zijn hoofd verricht werden, neervallen samen het water dat van de uiteinden van zijn haren wegvloeit. Als hij vervolgens zijn voeten wast, zullen de zonden die verricht werden door deze ledematen neervallen samen met het water dat langs de toppen van zijn tenen wegvloeit. Als hij daarna opstaat om het gebed te verrichten en als hij tijdens dit gebed dankwoorden en lofprijzingen tot Allaah richt en Hem prijst zoals het hoort en zich met heel zijn hart tot Allaah richt, ontdoet hij zich van zijn fouten en wordt hij zoals hij was op de dag dat zijn moeder hem ter wereld bracht."

Toen 'Amr b. 'Abasa (ra) deze hadith vermeldde aan Abû Umama, zelf een Metgezel van de Profeet, Salla Allaahoe alaihie wa sallam, merkte Abû Umama het volgende op:

"O 'Amr b. 'Abasa, denk eens na over wat je zegt: zouden al deze gunsten in één enkele keer aan een man worden toegekend?"

'Amr antwoordde:

"O Abû Umama, ik ben oud geworden, mijn beenderen zijn zwak geworden en mijn einde is nabij. Ik heb er geen nood aan om te liegen over Allaah of Zijn Boodschapper. Mocht ik het geen één, twee, drie,.... keer (hij telde zo voort tot aan zeven) gehoord hebben, dan zou ik deze woorden nooit overgeleverd hebben, maar ik heb het vaker dan dat gehoord."

Hadith overgeleverd door Muslim (Nr 832) en anderen.