De verkoper van afgoden,
In een stad, lang geleden, leefde een man Azar genaamd. Hij was beroemd, omdat hij beelden van afgoden verkocht. In een enorm gebouw in het midden van de stad, hadden de mensen talloze afgoden staan en bogen zich voor hen neer.
Azar was niet anders. Hij boog ook voor deze afgoden, en vereerde hen.
De zoon van Azar,
Azar had een zoon die Ibrahim heette, die heel intelligent was. Ibrahim zag dat de mensen altijd voor de afgoden bogen. Hij wist dat de afgoden van steen gemaakt waren en niet konden spreken of horen
Hij wist dat de afgoden iemand niet kunnen baten of schaden. Hij zag dat er vliegen op hen zaten, zonder dat ze weg werden gejaagd, en de muizen aten zonder enig probleem het voedsel, dat voor de beelden was neergezet.
Daarom vroeg Ibrahim zich af:”Waarom aanbidden de mensen afgoden? Waarom vragen ze dingen aan deze beelden?”

Ibrahim’s raadt,
Ibrahim zei altijd:”Vader, waarom aanbidt u deze afgoden? Waarom buigt u voor hen? Vader, waarom vraagt u dingen aan deze afgoden, terwijl ze niet spreken of horen kunnen? Ze kunnen iemand niet baten of schaden, waarom zet u dan voedsel voor hen neer? Waarom, ze kunnen toch niet eten of drinken?!!”
Azar werd boos en begreep niet, wat al deze vragen betekenden.
Ibrahim probeerde de mensen dezelfde raad te geven, maar ze werden boos en begrepen evenmin wat hij bedoelde.
Ibrahim zei:”Ik zal de afgodsbeelden kapot slaan als de mensen weg zijn. Dan zullen ze me wel begrijpen.”

Ibrahim breekt de afgodsbeelden in stukken,
Toen de dag van hun feest kwam, waren de mensen verheugd en gingen samen met hun kinderen naar buiten voor de festiviteiten.
Ibrahim’s vader, die klaar was om te vertrekken, vroeg aan Ibrahim:”Waarom ga je niet met ons mee?”
Ibrahim antwoordde:”Voorwaar, ik ben ziek.” (Soerah As-Shaffat 37 aya 89)
Toen Ibrahim zodoende alleen thuis achterbleef, ging hij naar het enorme gebouw, waar de afgoden in stonden en sprak tegen hen. Hij zei:”Hoe komt het dat jullie niet spreken? Hoe komt het dat jullie niet horen? Er is voedsel en drinken. Waarom eten jullie niet? Waarom drinken jullie niet?
De afgoden bleven stil, omdat het stenen waren die natuurlijk niet konden spreken.
Ibrahim zei:”Wat is er met jullie, dat jullie niet spreken.” (Soerah As-Shaffat 37 aya 92)
Toen de beelden bleven zwijgen, werd Ibrahim kwaad, “toen sloeg hij hen allemaal in stukken, behalve de grootste van hen….. (Soerah Al-Anbiya’ 21 aya 58 )

Wie heeft dit gedaan?
De mensen kwamen terug en gingen naar het gebouw, waar de afgodsbeelden stonden.
Ze wilden vooral deze dag voor de afgoden buigen, omdat het de dag van het grote feest was. Ze stonden versteld en waren met stomheid geslagen, kwaad en bitter om wat ze zagen.
“Wie heeft dat met onze afgoden gedaan? Voorwaar, hij behoort tot de onrechtplegers!”
Sommigen van hen zeiden daarop:”Wij hebben een jongeman over hen horen spreken, Ibrahim wordt hij genoemd.” “Breng hem dan onder de ogen van de mensen, hopelijk zullen zij getuigen”: zeiden ze. (Soerah Al-Anbiya’ 21 ayaat 59-61)
Toen Ibrahim voor hen gebracht werd, zeiden ze:
“Heb jij dit met onze afgoden gedaan, o Ibrahim?”
Ibrahim antwoordde kalm, wijzend op het grootste beeld:
“Nee, de grootste van hen heeft het gedaan. Dus ondervraagt hen maar, als zij kunnen spreken.” (Soerah Al-Anbiya’ 21 ayaat 62-63)
De mensen wisten dat de afgoden van steen gemaakt waren en dat stenen niet kunnen horen of spreken. Ze wisten dat de grootste afgod van steen gemaakt was en dat het niet bewegen kon, en dat het dus de andere beelden niet in stukken geslagen kon hebben.
Ze zeiden tegen Ibrahim:”Je weet dat de afgoden niet kunnen spreken.” Daarop vroeg Ibrahim hen:”Hoe kunnen jullie dan afgoden aanbidden, als ze je niet kunnen baten of schaden?
Begrijpen jullie dan niets? Hebben jullie dan helemaal geen verstand?”
De mensen bleven even stil als de afgoden, en voelden zich beschaamd.

Een koel vuur,
De mensen kwamen bij elkaar en zeiden:”Wat zullen we doen? Ibrahim heeft de beelden gebroken en de oden vernederd. Hoe zullen we hem straffen? Hoe zullen we hem betaald zetten wat hij heeft gedaan?”
Het antwoord was:
“Verbrandt hem en help jullie goden,…:” (Soerah Al-Anbiya 21 aya 68 )
En dat deden ze. Ze staken een vuur aan, en gooiden Ibrahim erin.
Maar Allah (swt) hielp Ibrahim en zei tegen het vuur:”O vuur, wees koud en veilig voor Ibrahim.” (Soerah Al-Anbiya’ 21 aya 69)
En dat was het. Het vuur was koel en onschadelijk voor Ibrahim. De mensen zagen dat het vuur Ibrahim geen pijn deed, en dat hij niet gedeerd werd door de rook en de vlammen.
Opnieuw stonden ze verbaasd en waren ontsteld.

Wie is mijn Heer?
Die nacht zag Ibrahim een ster en hij zei:”Dit is mijn Heer:” Toen de ster onderging, riep Ibrahim uit:”Ik hou niet van degenen die ondergaan!”
Ibrahim zag de maan en hij zei:”Dit is mijn Heer.” Toen de maan onderging, riep Ibrahim uit:”Tenzij mijn Heer mij leidt, zal ik zeker tot het dwalende volk behoren.”
De zon kwam op en Ibrahim zei:”Dit is mijn Heer, deze is groter.” Toen de zon onderging, riep Ibrahim uit:”O mijn volk, voorwaar, ik ben onschuldig aan wat jullie aan deelgenoten (aan Allah) toekennen.”
“Voorwaar, ik heb mijn aangezicht gewend naar Hem die de hemelen en de aarde schiep, als Hanif**, en ik behoor niet tot de veelgodenaanbidders.” (Soerah Al-An’am 6 ayaat76-79)
Allah (swt) is mijn Heer, Hij leeft altijd en gaat niet dood. Het licht van Allah (swt) schijnt altijd en wordt nooit zwakker of gaat onder. Allah (swt) is de Almachtige, niets kan hem overwinnen. Het licht van de sterren is zwak, de morgen overwint haar. Het licht van de maan is zwak, de zon overwint aar. Het licht van de zon is zwak, de nacht overwint haar en de wolken overwinnen haar. Sterren kunnen mij niet helpen, omdat ze zwak zijn. De maan kan mij niet helpen, omdat ze zwak is. De zon kan mij niet helpen, omdat ze zwak is.
Alleen Allah (swt) kan mij helpen.

** ”Hanif” betekent ”rechtzinnig”, in de zin van het volgen van het zuivere monotheïsme.

Mijn Heer is Allah (swt),
Ibrahim wist dat Allah (swt) zijn Heer was, want Allah leeft altijd en gaat niet dood, zijn licht (noer) schijnt altijd en wordt nimmer zwak en gaat nimmer onder. Allah (swt) is de Almachtige, niets kan Hem (swt) overwinnen.
Ibrahim wist dat Allah (swt) de Heer is van de sterren, en de Heer van de maan, en de Heer van de zon, en de Heer van alle werelden die er zijn.
Zodoende leidde Allah (swt) Ibrahim en maakte hem tot een Profeet en Zijn boezemvriend (Soerah An-Nisa 5 aya 125). Allah (swt) gebood Ibrahim zijn mensen aan te spreken en hen te vertellen, dat ze geen afgoden mochten aanbidden.

Ibrahim’s oproep,
Ibrahim volgde het gebod van zijn Heer (swt) op. Hij vroeg aan zijn volk:”Wat aanbidden jullie.”
Ze zeiden:”Wij aanbidden afgoden en wij zullen hen blijven aanbidden.”
Ibrahim vroeg:”Horen zij jullie, wanneer jullie hen aanroepen. Of brengen zij jullie voordeel of berokkenen zij jullie nadeel.?” Zij antwoordden:”Wij vonden dat zelfs onze vaderen zo deden.” Ibrahim zei:”Hebben jullie dan gezien wat jullie plegen te aanbidden? Jullie en jullie vaderen die voorafgingen? Voorwaar, zij zijn een vijand voor mij, (ik aanbid niemand) behalve de Heer der Werelden. Degene die mij geschapen heeft, Hij leidt mij. En Hij is Degene Die mij voedt en Die mij te drinken geeft. En wanneer ik ziek ben, is Hij het Die mij geneest. Degene Die mij doet sterven en mij vervolgens doet leven. (Soerah As- Sjoe’ara’ 26 ayaat 71- 81)
Maar afgoden scheppen niet en leiden niet. Zij geven niemand voedsel of drinken. Als iemand ziek is, genezen zij hem niet. Ze laten niemand sterven noch brengen ze hem tot leven.

Voor de koning,
Een groot koning heeste over die stad. Hij heerste als een wrede tiran. De mensen moesten voor hem buigen. Toen de koning hoorde, dat Ibrahim alleen voor Allah (swt) boog en voor niemand anders wilde buigen, werd hij kwaad en liet hem halen.
Ibrahim kwam onmiddellijk, want hij vreesde niemand behalve Allah (swt).
De koning vroeg:”Wie is jou Heer, Ibrahim?”
Ibrahim zei:”Mijn Heer is Allah.”
De koning vroeg:”Wie is Allah, Ibrahim?”
En Ibrahim zei:”Mijn Heer is degene Die doet leven en doet sterven.”
De koning zei:”Ik doe leven en sterven.” De koning was erg dom. Ibrahim wilde de koning laten inzien hoe dwaas hij was. Hij wilde zijn hele volk laten inzien hoe dwaas zij waren. Hij zei tegen de koning:”het is Allah die er voor zorgt dat de zon in het Oosten opkomt, zorgt u er dan voor dat zij in het Westen opkomt.”. De koning was in de war en zweeg. Hij voelde zich beschaamd en wist niets terug te zeggen. (Soerah Al-Baqarah 2 aya 258)

Zijn vader tot Allah opgeroepen,
Ibrahim wou zijn vader oproepen tot Allah (swt). Hij zei tegen hem:”O, mijn vader, waarom aanbidt u iets, dat niet hoort of ziet? Waarom toch aanbidt u iets, dat niet baat of schaadt? O, mijn vader, gehoorzaam de Sjaitan niet, voorwaar, de Sjaitan is opstandig tegen de Barmhartige. O, mijn vader, ik ben bang dat een bestraffing van de barmhartige u zal treffen, dan zal u een helper van de Sjaitan worden. Aanbid de Barmhartige toch!”
Ibrahim’s vader werd boos en zei:”Haat jij mijn goden, o Ibrahim? Als jij niet ophoudt, zal ik jou zeker stenigen. Ga bij mij vandaan voor een lange tijd.”
Ibrahim was geduldig. Hij zei tegen zijn vader:”Vrede zij met u. Ik zal vergeving voor u vragen bij mijn Heer, voorwaar, Hij is altijd mild voor mij. En ik zal weggaan van jullie en van wat jullie naast Allah (swt) aanbidden. En ik zal bij mijn Heer smeken, moge ik niet teleurgesteld zijn in mijn smeekbeden aan mijn Heer.” (Soerah Maryam 19 ayaat 44-47)
Ibrahim’s was treurig, zijn vader Azar, het volk en de koning waren zo boos geworden, dat Ibrahim besloot naar en ander land af te reizen, waar hij, in Vrede zijn Heer kon aanbidden en de mensen tot Allah (swt) kon oproepen. (Soerah Maryam 19 aya 48 )
Hij zei vaarwel tegen zijn vader en verliet zijn land samen met zijn vrouw Hadjar.

Mekka, en de Zamzam bron,
Ibrahim bereikte Mekka en bleef er een poosje. Daarna verliet hij zijn vrouw en zijn zoon Isma’il. Toen hij klaar was om te vertrekken, vroeg zijn vrouw:”Waar ga je naar toe? Laat je ons hier achter, terwijl er hier geen eten of water is? Heeft Allah (swt) je soms opgedragen om dit te doen?” Ibrahim zei:”Ja” Hadjar zei daarop:”Dan zal Allah (swt) ons niet laten sterven.”

Isma’il had dorst gekregen en zijn moeder wilde hem water geven. Maar waar kon ze water vinden? Er was geen put in Mekka, en geen rivier! Hadjar zocht naar water, ze rende van Safa naar Marwa en van marwa naar Safa. Allah (swt) hielp Hadjar en haar zoon Isma’il, Hij (swt) maakte water voor hen. Uit de grond welde water voor hen op. En Isma’il en Hadjar dronken ervan. Het water bleef er en werd bekend als de Zamzam-Bron. Allah (swt) heeft het water van de Zamzam-Bron gezegend. Dit is de Bron, waarvan de mensen drinken tijdens de Hadj. Ze nemen het water van de Zamzam-Bron mee terug naar hun eigen land om het met familie en vrienden te delen.

Ibrahim’s droom,
Enige tijd later keerde Ibrahim terug naar Mekka en zijn vrouw Hadjar en Isma’il. Ibrahim was erg gelukkig met zijn jonge zoon Isma’il. Hij (Isma’il) rende en speelde en liep rond met zijn vader, die zielsveel van hem hield.
Ibrahim was een echte profeet. Zijn droom was een ware droom. Hij besloot om te doen, wat Allah (swt) hem in een droom bevolen had te doen. Maar eerst vroeg hij Isma’il:” O mijn zoon, voorwaar, ik heb een droom gezien dat ik jou zal offeren, zeg mij hoe jij daarover denkt.”
Isma’il zei:”O mijn vader, doe wat u is bevolen, u zult vinden dat ik, Incha’Allah, tot de geduldigen behoor.” (Soerah As-Shaffat 37 aya 102)
Ibrahim nam Isma’il mee, en ook een mes.
Toen Ibrahim Mina bereikte, trof hij de voorbereidingen om Isma’il te offeren. Isma’il lag op de grond en Ibrahim stond op het punt om hem te offeren. Hij zette het mes tegen Isma’il’s keel. Allah (swt) wilde zien, of zijn vriend zou doen, wat hem bevolen was. Hield hij meer van Allah (swt) of hield hij meer van zijn zoon? Ibrahim was geslaagd voor de test, en Allah (swt) stuurde Djibril met een schaap uit de Tuin. Hij zei:” O Ibrahim? Waarlijk, jij hebt de droom in waarheid vervuld. Voorwaar, zo belonen Wij de weldoeners. Voorwaar, dat is zeker de duidelijke beproeving.” (Soerah As-Shaffat 37 ayaat104-105)
En er werd Ibrahim een schaap gegeven als offerdier. Allah (swt) was blij met wat Ibrahim had gedaan. Daarom beval Hij (swt) de moslims om een offer te brengen op de Ied Al- Adha, als herdenking.
Moge Allah (swt) Ibrahim zegenen, de beste vriend van Allah (swt), en hem vrede schenken.

De Ka’aba,
Ibrahim verliet Mekka voor de tweede keer en kwam er voor de tweede keer terug. Hij besloot een huis voor Allah (swt) te bouwen. Er waren vele huizen, maar er was geen huis voor Allah (swt) alleen, waar Hij aanbeden kon worden.
Isma’il wilde helpen bij het bouwen van dit huis voor Allah (swt). Zowel Ibrahim als Isma’il werkten er hard aan, droegen stenen van de bergen rondom Mekka aan, en bouwden de Ka’aba met hun eigen handen.
Ibrahim dacht altijd aan Allah (swt) en riep Hem altijd aan. Hij zei:”Onze Heer. Aanvaard het van ons, voorwaar, U bent de Alhorende, de Alwetende. (Soerah Al-Baqarah 2 aya 127)
Allah (swt) aanvaarde het van Ibrahim en Ismail, en zegende de Ka’aba. Wij moslims richten ons tijdens elk gebed naar de Ka’aba. W reizen naar de Ka’aba tijdens de Hadj, en gaan eromheen in Tawaf en bidden er.
Moge Allah (swt) Ibrahim zegenen en hem vrede schenken! Moge Allah (swt) Isma’il zegenen en hem vrede schenken.

Jeruzalem,
Ibrahim had nog een tweede vrouw, die Sara heette, bij Sara had Ibrahim nog een zoon, wiens naam Ishaq was. Ibrahim en Ishaq leefden in Palestina. Ishaq bouwde een huis voor Allah (swt) in Palestina, net zoals zijn vader en broer een huis voor Allah (swt) hadden gebouwd in Mekka. Deze moskee, die Ishaq in Palestina bouwde, staat in Jeruzalem. Het is de Al-Aqsa Moskee en Allah (swt) zegende het land eromheen.
Allah (swt) zegende de zoons van Ishaq, net zoals de zonen van Isma’il. Er zaten Profeten en koningen tussen. Ishaq had een zoon, die Ja’qoeb heette. Hij was een Profeet. Ja’qoeb had twaalf zonen, waaronder Yoesoef ibn Ja’qoeb.